Marokkaan in Europa, crimineel in Nederland

Een vergelijkende studie

Frank Bovenkerk 9789462364806 | 1e druk, 2014
Budh

Voorwoord

Waarom is de criminaliteit onder Marokkanen in Nederland zo hoog terwijl dat in andere landen met immigranten uit Marokko niet het geval is? Aanvankelijk heeft in Nederland schuchterheid overheerst om daarover te praten en te schrijven - als de indruk van hoge criminaliteit immers niet waar was of overdreven, zou dit een etnische minderheid stigmatiseren. Die houding heeft Nederland nu echter al geruime tijd achter zich gelaten. De feiten worden onder ogen gezien, het wetenschappelijk onderzoek heeft zich op dit vraagstuk gestort en we weten er sindsdien heel erg veel van. Er wordt tussen onderzoekers stevig gedebatteerd over de theoretische interpretatie en de praktische implicaties van dat onderzoek. Het onderzoek wordt veelvuldig aangehaald door de media en in kringen van beleid en politiek, en er doen zich steeds weer nieuwe criminele incidenten voor die ervoor zorgen dat de kwestie in de aandacht blijft.
Ik heb als onderzoeker een paar maal aan deze discussie deelgenomen. In de loop van de twintig jaar waarin ik er met enige tussenpozen over schrijf - mijn eerste publicatie dateert van 1991, mijn laatste van 2012 - heb ik mij in toenemende mate verbaasd over het feit dat dit probleem niet of althans veel minder lijkt te bestaan in andere landen waar zich toch ook flinke aantallen immigranten hebben gevestigd. Dat is vreemd, want de inburgering van immigranten gaat heel vaak gepaard met criminaliteit in de tweede generatie en er zijn in die landen voldoende criminologen werkzaam om deze voorspelbare ontwikkeling te signaleren. Lijden zij aan koudwatervrees? Met zijn vraag ‘Wie is er bang voor migratie en misdaad?’ daagt de criminoloog Luigi Solivetti zijn collega's uit om het te bestuderen (Solivetti, 2005). Aan misplaatste politieke correctheid hebben we niets, vindt hij, het is een onderwerp dat serieuze wetenschappelijke studie verdient.
Op basis van de theoretische inzichten die in Nederland speciaal over Marokkaanse criminaliteit zijn ontwikkeld, zou je verwachten dat hetzelfde of een soortgelijk probleem zich ook in andere landen voor zou doen. Ik las de vaktijdschriften, maar kwam zelden iets tegen over dit probleem. Op internationale conferenties van criminologen vroeg ik er altijd naar, maar (met een weifelende uitzondering van de Belgen) niemand antwoordde dat zo'n probleem ook in zijn land was gesignaleerd. Was dit toe te schrijven aan het feit dat het daar in werkelijkheid ook niet voorkwam? Misschien waren de immigranten uit andere, meer ontwikkelde, delen van Marokko afkomstig of wellicht was in andere landen een integratiebeleid gevoerd waarmee zo'n probleem was voorkomen? Of bestond het probleem daar wel, maar zonder opgemerkt te zijn of omdat politieke correctheid niet toeliet er over te spreken en te publiceren?
Het is wel duidelijk dat Nederland zijn immigranten anders aanpakt dan elders. Er is in de loop van de jaren onvergelijkelijk veel meer geïnvesteerd in hun integratie - geen enkel ander land op het continent van Europa kent een minderhedenbeleid zoals wij - en nergens is dat met zoveel empirisch onderzoek begeleid als bij ons. Het heeft een specifiek Nederlands ‘vertoog’ over minderheden opgeleverd, met eigen uitdrukkingen als ‘integratie met behoud van eigen identiteit’ en het woord ‘allochtoon’. Voor het eerst werden immigranten hier aangeduid als ‘etnische minderheden’. In andere landen denkt men bij die woorden aan bijzondere inheemse groepen die aanspraak maken op een eigen grondgebied, het gebruik van hun eigen taal of andere rechten. De Fransen kennen Bretons en Corsicanen; in Duitsland leven Sorben en Friezen; Spanje beschouwt Basken en Catalanen als etnische minderheden; Italië kent bevolkingsgroepen in Zuid-Tirol en Friuli die hun eigen talen beschermd willen zien. Wij hebben de Friezen. Alleen in België en Nederland noemen we immigranten etnisch-culturele minderheden. Wij maken ons zorgen over de ‘criminaliteit van Marokkanen’, en in Nederland snapt iedereen wat daarmee wordt bedoeld. In de rest van de wereld denkt men bij ‘criminaliteit van Marokkanen’ aan de misdaad die in Marokko door de eigen inwoners wordt gepleegd. Over de betekenis van het woord Marokkanen bestaat bij ons eenstemmigheid. Iedereen weet over wie het gaat en Marokkaanse Nederlanders noemen zichzelf ook Marokkanen. Dat komt niet doordat de Marokkaanse nationaliteitswetgeving niet toestaat afstand van het Marokkaanse staatsburgerschap te doen; immigranten uit andere landen, zoals Surinamers of Turken, noemen zich in Nederland ook naar hun land van herkomst. In ‘echte’ immigratielanden zoals de Verenigde Staten of Australië worden de (kinderen van) immigranten wel als Puerto Ricaanse-Amerikanen of Italo-Australiërs aangeduid en niemand denkt daarbij aan het land waar de betrokkenen zelf of hun ouders vandaan komen. Maar in Nederland ligt dat dus anders. De jongens waar het in dit boek over gaat, zijn juridisch en ook feitelijk Nederlanders, gewone Nederlanders.
Het gaat over Marokkaanse criminaliteit en met die aanduiding wordt reeds gesuggereerd dat de verklaring voor het probleem is te vinden in de Marokkaanse afkomst. Geredeneerd vanuit wat we er in de wetenschap over weten, zou ik zeggen: daar zijn toch ook goede redenen voor. Maar dat vindt men in andere landen kennelijk niet. Wat zijn hun argumenten? Internationaal vergelijkend criminologisch onderzoek is schaars en over zo'n specifiek onderwerp als dit is in de literatuur nauwelijks iets te vinden. Ik besluit het daarom zelf uit te zoeken. De immigratie van gastarbeiders uit Marokko naar Duitsland, Frankrijk, België en Nederland is nu vijftig jaar oud. Dat geldt ook voor Spanje en Italië, al is de massa-emigratie daar pas sinds vijftien jaar goed op gang gekomen. In al deze zes landen zou zich in aanleg een Marokkaans criminaliteitsprobleem kunnen ontwikkelen. Wat is daarover in die landen te vinden?
Bij de Marokkaanse bevolkingsgroep zelf moet veel kennis aanwezig zijn en misschien zijn er personen die het probleem overzien. Vijfentwintig jaar geleden vond ik het niet gemakkelijk om met Marokkanen te communiceren. Ik sprak hun taal niet en zij spraken (meestal) niet de mijne. Thans is er echter een tweede en een derde generatie en die spreken uiteraard Nederlands, Frans of Duits. Gedurende mijn werk van de afgelopen jaren als bijzonder hoogleraar Radicaliseringsstudies aan de Universiteit van Amsterdam ben ik veelvuldig in aanraking geweest met politieagenten, onderwijzers en jeugdwerkers van Marokkaanse afkomst. Nu ik wel met hen kan praten is er een wereld voor mij opengegaan. Ik hoor over de stammen uit de Rif, waar zowel de criminaliteit als de radicalisering haar oorsprong zou vinden, over in Marokkaanse kring algemeen bekende criminele families die de plaatselijke (Marokkaanse) gemeenschap terroriseren, en over internationale netwerken van informele en illegale economische activiteit. Het onderzoek dat een antwoord moet geven op mijn vraag, moet daarmee binnen mijn bereik zijn gekomen.

Eerst de geschreven bronnen. Wat levert raadpleging van de wetenschappelijke literatuur op? In Nederland zijn die bronnen overvloedig aanwezig, maar dat geldt aanzienlijk minder voor de andere landen. Via correspondentie met collega's kom ik minder toegankelijke literatuur in hun land op het spoor en zij zijn bereid mij te woord te staan om antwoord te geven op de vraag hoe de kwestie van immigratie en misdaad in hun land politiek en wetenschappelijk wordt benaderd. Mijn gesprekspartners verbazen zich over de omvang en het niveau van wetenschappelijke kennis die in Nederland is verzameld.
Verder breng ik een bezoek aan de noordkust van Marokko (van Oujda tot en met Al Hoceima), het gebied van waaruit de meeste Marokkaanse migranten naar Duitsland, Nederland en België (alsmede een flink aantal naar Frankrijk en nu ook Spanje) zijn gekomen. Hier stel ik mij in verbinding met de heer Salama, de Nederlandse consul in Nador. Vooral het bezoek samen met de jonge Amsterdamse socioloog Benaissa Hallich (zelf tweede generatie) levert inzicht op. Ik ga naar Rabat (waar de regering van Marokko zetelt) om mijn licht op te steken bij instanties van de Marokkaanse overheid zoals CCME (Raad voor de Marokkaanse gemeenschap in het buitenland). Hier word ik geassisteerd door medewerkers van NIMAR (Nederlands Instituut in Marokko), Jan Hoogland en Cynthia Plette. In verschillende landen van onderzoek in Europa interview ik personen die qualitate qua feitenkennis over het onderwerp zouden kunnen hebben. Het blijkt gemakkelijk om via het Marokkaanse netwerk van deskundigen (maatschappelijk werkers, politici) in contact te komen met mensen die een Marokkaanse achtergrond hebben. De politie in Nederland en Duitsland heeft mij voorts flink geholpen, zoals de medewerkers van de Nationale Recherche in Woerden en die van het Polizeipräsidium in Frankfurt am Main en het Bundes Kriminal Amt in Wiesbaden. Ik heb mij door collega's in Frankrijk moeten laten overtuigen dat het geen enkele zin heeft om daar de politiediensten te benaderen; er bestaat in dit land geen traditie van samenwerking tussen politie en wetenschap. In België ben ik eveneens enkele malen bij de politie uitgenodigd, maar zodra tot de gesprekspartners doordrong wat precies het onderwerp van gesprek zou zijn, was de animo een stuk minder.
Daarnaast leek het mij een interessant idee om immigrantenfamilies op te zoeken waarvan broers, zusters, neven of nichten zich in verschillende landen hebben gevestigd. In een heleboel families in Europa is dat feitelijk zo. Gedurende een gesprek met iedereen om tafel zouden de nationale verschillen in ervaringen mooi uit de verf kunnen komen. Dit bleek lastig te organiseren en daarom heb ik van dit aardige idee af moeten zien. Gebrek aan tijd heeft het onderzoek ook nog op een andere manier beperkt. Bij de vergelijking tussen landen zijn enkele malen losse eindjes in de bewijsvoering blijven hangen. De toegepaste methodologie leverde steeds weer nieuwe veronderstellingen op die het verdienden om apart onderzocht te worden. Dat kon slechts mondjesmaat, want een onderzoek kan niet eeuwig duren.
Het aantal personen dat ik voor dit onderzoek heb geïnterviewd, bedraagt ongeveer honderd. Ik zal hen niet allemaal noemen (en sommigen willen dit ook niet). Wanneer zo iemand letterlijk in de tekst wordt aangehaald, noem ik hem bij zijn naam of zijn functie.

Ik ben bijzonder veel dank verschuldigd aan de onderzoeksbegeleidingscommissie die mij terzijde heeft gestaan. Deze bestond uit Paolo De Mas, voormalig hoofd van NIMAR in Marokko en thans hoofd van het Marokko Instituut in Nederland in Den Haag (voorzitter van de commissie); Otto Adang, lector Openbare orde en gevaarbeheersing bij de Nederlandse Politie Academie (NPA) te Apeldoorn; Eric Bervoets van het onderzoeksbureau Lokale Zaken; Halim El Madkouri, programmaleider onderzoek bij FORUM, het Instituut voor Multiculturele Vraagstukken; Abderrachim El Manouzi, medewerker van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) te Den Haag; en Marion van San, medewerkster van Risbo, Erasmus Universiteit Rotterdam. Vooral Paolo De Mas heeft mij onvermoeibaar voorzien van nieuwe inzichten en aanbevelingen voor literatuur. Ik dank Politie & Wetenschap voor de financiering van dit project, en Annemieke Venderbosch en Monique van Nieuwenburg-Willemsen voor hun waardevolle commentaar bij de voortgang van het onderzoek.

Opbouw van dit boek

In hoofdstuk 1 wordt een beschrijvend overzicht gegeven van het probleem van de criminaliteit van Marokkaanse jongens in Nederland. Er is erg veel onderzoek naar gedaan en de literatuur daarover is omvangrijk en veelzijdig. Daarna wordt de probleemstelling geformuleerd en de methode van internationaal vergelijkend onderzoek beredeneerd. In hoofdstuk 2 maken we kennis met de ingewikkelde geschiedenis van de Marokkaanse emigratie. Volgens de goede Nederlandse traditie zijn we geïnteresseerd in de vraag waar de betrokken immigranten oorspronkelijk precies vandaan komen en welke contacten zij met het land van herkomst onderhouden. De immigratie-ervaringen in de zes landen van deze studie zijn vergelijkbaar. Maar er zijn ook verschillen en wie weet zijn deze verschillen voor een gedeelte verantwoordelijk voor het uiteenlopen van de Marokkaanse criminaliteitscijfers in de onderzochte landen. De theorievorming over immigratie en misdaad komt aan de orde in hoofdstuk 3. Ik behandel de verschillende theorieën en illustreer deze steeds met een voorbeeld van onderzoek in Nederland. Daarna onderzoek ik de verklaringskracht van elke theorie door te vergelijken met gegevens over de andere vijf immigratielanden. Wat in Nederland doorgaat als een vanzelfsprekende reden voor de hoge criminaliteit, blijkt bij vergelijking met de lotgevallen van Marokkaanse immigranten in de andere landen vaak geen stand te houden. Andersom bestaan er interpretaties die in Nederland nog niet of minder vaak zijn geëxploreerd. Een van die factoren wordt er speciaal uitgelicht: hoe treedt de politie in de verschillende landen op tegenover minderheden en Marokkaanse minderheden in het bijzonder? Dit komt aan de orde in hoofdstuk 4, dat handelt over ethnic profiling bij proactieve politiecontroles. Naast Marokkanen die het criminele pad zijn opgegaan, zijn er natuurlijk ook succesvolle Marokkanen; een van hen heeft het in Nederland zelfs tot burgemeester van Rotterdam gebracht. Er zijn redenen om te veronderstellen dat in Nederland naar verhouding zelfs meer succesvolle Marokkanen worden aangetroffen dan in de andere landen. Dit onderwerp wordt behandeld in hoofdstuk 5 over Marokkaanse BN'ers. In hoofdstuk 6 probeer ik de opmerkelijke verschillen in de kennis over en de waardering van het probleem van de Marokkaanse criminaliteit in verschillende landen te beschrijven en te verklaren. Er wordt een poging ondernomen om de feitelijke niveaus van criminaliteit in de Marokkaanse bevolkingsgroepen in de verschillende landen te vergelijken. Nu zal blijken waarom juist in Nederland de culturele verklaring populair is. In hoofdstuk 7 eindigt het onderzoeksverslag met een samenvattende slotbeschouwing.

Amsterdam 1 juli 2014

↑ Naar boven
 
 
© 2021 | Boom uitgevers Den Haag